aufpassen

verb
opletten, goed uitkijken, oppassen voor
A2

aufpassen betekent ‘opletten’, ‘goed uitkijken’ of ‘op iemand/iets passen’. Het is een scheidbaar werkwoord: auf-passen. Voltooid deelwoord: aufgepasst; perfect met haben: hast aufgepasst. Niet-reflexief. Imperatief: Pass auf! Heel gebruikelijk in de spreektaal.

Voorbeelden

Während der Fahrt passte die Schwester auf das Baby auf, damit der Vater sich ausruhen konnte.
Tijdens de rit paste de zus op de baby, zodat de vader kon uitrusten.
Du hast gut aufgepasst.
Je hebt goed opgelet.
Bitte pass auf, was der Lehrer sagt.
Let alsjeblieft op wat de leraar zegt.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarJa
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es passt auf
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es passte auf
Perfekter/sie/es hat aufgepasst

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een bewaker voor die ‘bovenop’ iets staat en goed oplet — ogen bovenaan.
👂Klinkt een beetje als ‘off-pass-in’ — denk aan aandacht ‘doorgeven’.

Opmerkingen

Scheidbaar werkwoord: het voorvoegsel « auf- » scheidt in hoofdzin (ich passe auf). Veelvoorkomende constructie: aufpassen auf + accusatief (auf jemanden/etwas aufpassen = op iemand/iets passen / op letten). Wordt vaak gebruikt in de betekenis van zowel « opletten » als « toezicht houden » (kinderen, huisdieren). Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichpasse auf
dupasst auf
er/sie/espasst auf
wirpassen auf
ihrpasst auf
sie/Siepassen auf
ichpasse auf
dupassest auf
er/sie/espasse auf
wirpassen auf
ihrpasset auf
sie/Siepassen auf
ichwürde aufpassen
duwürdest aufpassen
er/sie/eswürde aufpassen
wirwürden aufpassen
ihrwürdet aufpassen
sie/Siewürden aufpassen
duPass auf!
ihrPasst auf!
SiePassen auf!