verb
opletten, goed uitkijken, oppassen voor
A2
aufpassen betekent ‘opletten’, ‘goed uitkijken’ of ‘op iemand/iets passen’. Het is een scheidbaar werkwoord: auf-passen. Voltooid deelwoord: aufgepasst; perfect met haben: hast aufgepasst. Niet-reflexief. Imperatief: Pass auf! Heel gebruikelijk in de spreektaal.
Voorbeelden
Während der Fahrt passte die Schwester auf das Baby auf, damit der Vater sich ausruhen konnte.
Tijdens de rit paste de zus op de baby, zodat de vader kon uitrusten.
Du hast gut aufgepasst.
Je hebt goed opgelet.
Bitte pass auf, was der Lehrer sagt.
Let alsjeblieft op wat de leraar zegt.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een bewaker voor die ‘bovenop’ iets staat en goed oplet — ogen bovenaan.
Klinkt een beetje als ‘off-pass-in’ — denk aan aandacht ‘doorgeven’.
Opmerkingen
Scheidbaar werkwoord: het voorvoegsel « auf- » scheidt in hoofdzin (ich passe auf). Veelvoorkomende constructie: aufpassen auf + accusatief (auf jemanden/etwas aufpassen = op iemand/iets passen / op letten). Wordt vaak gebruikt in de betekenis van zowel « opletten » als « toezicht houden » (kinderen, huisdieren). Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.