verb
ophouden, stoppen, staken
A1
aufhören is een scheidbaar werkwoord en betekent ‘ophouden’, ‘stoppen’ of ‘staken’. Voltooid deelwoord: aufgehört; perfect met haben: ich habe aufgehört. In de tegenwoordige tijd scheidt auf zich af: ich höre auf. Imperatief: hör auf!
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Firma hörte die Produktion vorübergehend auf.
Het bedrijf heeft de productie tijdelijk stopgezet.
Ich höre jetzt auf zu arbeiten.
Ik ga nu stoppen met werken.
Bitte hör jetzt mit dem Lärm auf!
Stop nu alstublieft met het lawaai!
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand voor die zijn hand opsteekt als stopteken met het woord «aufhören» erboven.
denk aan «off-herren» — «aufhören» stopt iets, alsof je het uitzet.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
«aufhören» is scheidbaar: in de tegenwoordige tijd splitst het vaak (er hört auf). Wordt gebruikt voor het stoppen van een handeling én voor het beëindigen van een gebeurtenis of toestand. | Onovergankelijk werkwoord; persoonlijke passieve vormen zijn niet van toepassing.