noun
taak, opdracht, oefening
A1
Aufgabe (de Aufgabe) betekent ‘taak’, ‘opdracht’ of ‘oefening’. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Aufgabe; meervoud: die Aufgaben. Veel gebruikt op school, op het werk en in projecten. Regelmatige verbuiging: der Aufgabe, den Aufgaben.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Was für Aufgaben haben Sie?
Wat voor taken heeft u?
Die Lehrerin gab mir eine schwere Aufgabe.
De lerares gaf mij een moeilijke opdracht.
Die Aufgabe muss bis Freitag abgegeben werden.
De opdracht moet vóór vrijdag worden ingeleverd.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een checklist voor met één item met het label ‘Aufgabe’ dat wordt afgevinkt.
Klinkt als ‘off-gah-buh’ — denk aan ‘een taak van je lijst af’.
Die Aufgabe — denk aan D van Die en D van ‘duty’ (plicht) om het vrouwelijke geslacht te onthouden.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Veelvoorkomend in school- en werkcontexten. ‘Aufgabe’ kan een enkele oefening of een bredere plicht/opdracht betekenen.