verb
vermelden, opgeven, opscheppen
B1
angeben betekent ‘aangeven’, ‘vermelden’ of ‘opgeven’; informeel ook ‘opscheppen’. Het is een scheidbaar werkwoord: an·geben. Onregelmatig: du/er gibst/gibt, verleden tijd gab, voltooid deelwoord angegeben. Perfekt met haben.
Voorbeelden
Er gab seinen Namen an.
Hij gaf zijn naam op.
Bitte geben Sie im Formular Ihre Telefonnummer an.
Vul alstublieft uw telefoonnummer in op het formulier.
Er hat im Bericht klar angegeben, wann das Projekt startet.
Hij gaf in het rapport duidelijk aan wanneer het project begint.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die naar een invulveld wijst en het antwoord geeft — hij «geeft aan» op het formulier.
an + geben = «geven aan» → informatie geven; klinkt als «an-give-en».
Opmerkingen
« angeben » is een scheidbaar werkwoord (an|geben). In de tegenwoordige tijd scheidt het voorvoegsel zich: « Er gibt die Daten an. » In samengestelde tijden is het voltooid deelwoord « angegeben » met het hulpwerkwoord « haben ». Het kan betekenen: «vermelden/opgeven» of informeel «opscheppen».