noun
verwant, familielid, naaste
B1
Angehörige betekent „familieleden”, „naasten” of „verwanten”. Enkelvoud: der/die Angehörige, meervoud: die Angehörigen. Het volgt de zwakke verbuiging: veel vormen krijgen -n (den Angehörigen, der Angehörigen). Vaak in formele en juridische context.
Voorbeelden
Die Angehörige wartete vor dem Krankenhaus.
Het familielid wachtte voor het ziekenhuis.
Er rief seine Angehörigen an, um sie zu informieren.
Hij belde zijn familieleden om hen te informeren.
Die Angehörigen wurden über den Zustand des Patienten informiert.
De naasten werden geïnformeerd over de toestand van de patiënt.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een kleine groep mensen voor die samen staat, met het label „Angehörige” (verwanten).
die -> denk aan „zij”. Let op: dit lemma kan zowel mannen als vrouwen aanduiden (der Angehörige / die Angehörige), maar het meervoud is „die Angehörigen”.
Opmerkingen
Kan verwijzen naar verwanten of naaste familie. Het lemma bestaat in mannelijke en vrouwelijke vorm (der Angehörige, die Angehörige); het gebruikelijke meervoud is die Angehörigen.