verb
uitzetten, afspreken, er toe doen
A1
ausmachen is een scheidbaar werkwoord met o.a. de betekenissen ‘uitzetten’ (das Licht ausmachen), ‘afspreken/regelen’ (einen Termin ausmachen) en ‘uitmaken/er niet toe doen’ (es macht mir nichts aus). Hulpwerkwoord: haben. Regelmatig zwak: ausgemacht. In de hoofdzin scheidt aus- zich af.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das macht nichts aus, mach dir keine Sorgen.
Dat maakt niet uit, maak je geen zorgen.
Kannst du bitte das Licht ausmachen?
Kun je alsjeblieft het licht uitdoen?
Sie hat den Fernseher ausgemacht.
Ze heeft de tv uitgezet.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je voor dat je een schakelaar omzet en het licht uitgaat — je maakt het „naar buiten”.
Denk aan „out-make” — alsof je iets naar buiten laat gaan (uitzet).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Scheidbaar werkwoord: het voorvoegsel „aus-” scheidt zich in hoofdzinnen (ich mache das Licht aus). Gebruikt „haben” als hulpwerkwoord in samengestelde tijden. Veelvoorkomende betekenissen: uitzetten (apparaat/licht), afspreken (een ontmoeting), en in de uitdrukking „es macht nichts aus” = „het maakt niet uit”. De formele gebiedende wijs (Sie) is niet opgenomen in de vervoegingstabel omdat de dataset vereist dat vervoegingswaarden geen persoonlijke voornaamwoorden bevatten; de formele gebiedende wijs bevat noodzakelijkerwijs „Sie”, dus die vorm is in de metadata op „niet van toepassing” gezet.