noun
aanbieder, leverancier, verkoper
B1
Anbieter (m.) betekent aanbieder, leverancier of verkoper: een persoon of bedrijf dat goederen of diensten aanbiedt. Meervoud: Anbieter. Genitief: des Anbieters. Veel gebruikt in handel, IT en contracten, bijvoorbeeld Internetanbieter.
Voorbeelden
Die Kunden wechselten den Anbieter, weil der bisherige Anbieter oft ausfiel.
De klanten stapten over naar een andere aanbieder, omdat de vorige aanbieder vaak uitviel.
Der Anbieter bietet verschiedene Zahlungsoptionen an.
De aanbieder biedt verschillende betalingsopties aan.
Es gibt viele verschiedene Anbieter für Mobilfunkverträge.
Er zijn veel verschillende aanbieders van mobiele abonnementen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een kraampje voor met een bordje «Anbieter» dat goederen aanbiedt.
denk aan ‘an + bidder’ — een «Anbieter» biedt aan of levert (provider).
der — stel je een mannelijke verkoper voor (der Anbieter) als snel geheugensteuntje voor het geslacht.
Opmerkingen
«Anbieter» wordt veel gebruikt in zakelijke contexten (dienstverlener, internetprovider, softwareleverancier). Het meervoud is qua vorm gelijk aan het enkelvoud.