noun
tekort, gebrek, schaarste, defect
B1
Mangel is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent „tekort”, „gebrek” of „schaarste”. Vaak gebruikt met Mangel an + datief: Mangel an Zeit = gebrek aan tijd. Meervoud: Mängel. Genitief enkelvoud: des Mangels. Ook bruikbaar voor een defect of tekortkoming, vooral in technische en economische context.
Voorbeelden
Es gibt einen Mangel an Papier im Büro.
Er is een tekort aan papier op kantoor.
Wegen eines Mangels an Ersatzteilen konnte die Maschine nicht starten, obwohl die Techniker schnell arbeiteten.
Door een tekort aan reserveonderdelen kon de machine niet starten, hoewel de technici snel werkten.
Ein Mangel an Vitaminen kann zu gesundheitlichen Problemen führen.
Een tekort aan vitaminen kan tot gezondheidsproblemen leiden.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je lege schappen voor met een groot bord «Mangel» (tekort).
Klinkt als het Engelse «mangle» — stel je iets verminkt voor wanneer er te weinig van is.
Mannelijk (der): onthoud «der Mangel» — denk aan een mannelijke manager die een tekort aankondigt.
Opmerkingen
Vaak gebruikt in de uitdrukking «Mangel an + datief» (bijv. «Mangel an Wasser»). Kan in andere contexten ook «defect» betekenen («ein Mangel an Qualität»).