verb
afmaken, op slot doen, afsluiten
A2
abschließen is een scheidbaar en sterk werkwoord. Het betekent ‘afsluiten’, ‘beëindigen’ of ‘op slot doen’. Vormen: ich schließe ab, verleden tijd schloss ab, voltooid deelwoord abgeschlossen. In de voltooide tijden met haben. In hoofdzinnen wordt het voorvoegsel gescheiden.
Voorbeelden
Wir haben das Haus abgeschlossen.
We hebben het huis op slot gedaan.
Wir konnten das Abkommen gestern abschließen.
We konden de overeenkomst gisteren afsluiten.
Ich muss das Projekt bis Freitag abschließen.
Ik moet het project voor vrijdag afmaken.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een map dichtklapt en een slot met een klik dichtgaat — de map is „ab” en het slot is „schließen”.
Klinkt als „finish” (afmaken) — „abschließen” eindigt als „close”.
Opmerkingen
Scheidbaar werkwoord: het voorvoegsel „ab” scheidt zich in hoofdzinnen (ich schließe die Tür ab). Veelvoorkomende betekenissen: afmaken/voltooien, op slot doen en afsluiten (een deal). Konjunktiv I in het Präteritum (aparte vormen van de aanvoegende wijs in de verleden tijd) wordt in het hedendaagse Duits niet vaak gebruikt en is in deze dataset gemarkeerd als niet van toepassing waar het oorspronkelijk leeg was.