verb
afzeggen, annuleren, afwijzen
B1
absagen is een scheidbaar werkwoord en betekent ‘afzeggen’ of ‘afwijzen/nee zeggen tegen iemand’. Voltooid deelwoord: abgesagt; in de voltooide tijden met haben. Het is meestal transitief; bij ‘iemand afzeggen’ staat de persoon vaak in de datief: jemandem absagen.
Voorbeelden
Sie hat das Angebot abgesagt, weil es nicht interessant war.
Ze heeft het aanbod afgewezen omdat het niet interessant was.
Der Veranstalter sagte das Konzert ab, weil viele Musiker krank waren.
De organisator annuleerde het concert omdat veel muzikanten ziek waren.
Er hat die Party abgesagt.
Hij heeft het feest afgezegd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een afspraak in een agenda doorstreept — je ‘absagt’ hem.
klinkt als ‘ab-say-gen’ — stel je voor dat je ‘nee’ zegt en iets wegstuurt
Opmerkingen
Scheidbaar werkwoord: in hoofdzinnen scheidt het voorvoegsel «ab-» zich af (ich sage das Treffen ab). Regelmatig zwak werkwoord afgeleid van «sagen». Gebruikt «haben» in voltooide tijden.