klappen

verb
werken, lukken, vouwen, inklappen
A2

klappen betekent vooral ‘lukken’ of ‘goed gaan’: Das hat geklappt = ‘het is gelukt’. Daarnaast kan het ook ‘omklappen / dichtklappen’ betekenen. Het is een zwak, niet-scheidbaar en niet-reflexief werkwoord; perfekt: hat geklappt.

Voorbeelden

Der Plan klappte nicht, weil das Team zu spät begann.
Het plan lukte niet, omdat het team te laat begon.
Das klappt gut.
Dat werkt goed.
Die Landkarte lässt sich hier leicht klappen.
De kaart kan hier gemakkelijk worden gevouwen.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es klappt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es klappte
Perfekter/sie/es hat geklappt

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je twee delen voor die tegen elkaar «klappen» wanneer iets werkt
👂Denk aan «clap» — iets dat «werkt» met een klap (klapp)

Opmerkingen

Klappen is een regelmatig werkwoord dat in de spreektaal vaak betekent: «werken» of «lukken». Het kan ook «vouwen» betekenen in fysieke zin. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichklappe
duklappst
er/sie/esklappt
wirklappen
ihrklappt
sie/Sieklappen
ichklappe
duklappest
er/sie/esklappe
wirklappen
ihrklappet
sie/Sieklappen
ichwürde klappen
duwürdest klappen
er/sie/eswürde klappen
wirwürden klappen
ihrwürdet klappen
sie/Siewürden klappen
duklapp!
ihrklappt!
SieKlappen!