verb
werken, lukken, vouwen, inklappen
A2
klappen betekent vooral ‘lukken’ of ‘goed gaan’: Das hat geklappt = ‘het is gelukt’. Daarnaast kan het ook ‘omklappen / dichtklappen’ betekenen. Het is een zwak, niet-scheidbaar en niet-reflexief werkwoord; perfekt: hat geklappt.
Voorbeelden
Der Plan klappte nicht, weil das Team zu spät begann.
Het plan lukte niet, omdat het team te laat begon.
Das klappt gut.
Dat werkt goed.
Die Landkarte lässt sich hier leicht klappen.
De kaart kan hier gemakkelijk worden gevouwen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee delen voor die tegen elkaar «klappen» wanneer iets werkt
Denk aan «clap» — iets dat «werkt» met een klap (klapp)
Opmerkingen
Klappen is een regelmatig werkwoord dat in de spreektaal vaak betekent: «werken» of «lukken». Het kan ook «vouwen» betekenen in fysieke zin. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.