abholen

verb
ophalen, afhalen, iemand komen halen
A1

abholen is een scheidbaar werkwoord: het voorvoegsel ab- komt los in de hoofdzin (ich hole dich ab). Het betekent ‘ophalen’, ‘iemand komen halen’ of ‘afhalen’. Zwak werkwoord, perfect met haben: abgeholt. Meestal met een accusatief object.

Voorbeelden

Sie holte das Paket von der Post ab.
Ze haalde het pakket op bij het postkantoor.
Du hast mich vom Flughafen abgeholt.
Je hebt me van het vliegveld opgehaald.
Der Vater holte das Paket ab, weil die Nachbarin nicht zur Post gehen konnte.
De vader haalde het pakket op, omdat de buurvrouw niet naar het postkantoor kon gaan.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarJa
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es holt ab
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es holte ab
Perfekter/sie/es hat abgeholt

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand bij een deur voor en een auto die komt aanrijden om die persoon op te halen.
👂Klinkt als «up-holden» — stel je voor dat iemand omhoog wordt gehouden naar de auto.

Opmerkingen

Scheidbaar werkwoord (ich hole dich ab). Wordt vaak met «bei» gebruikt voor locaties. Gebruikt «haben» in de voltooide tijden.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichhole ab
duholst ab
er/sie/esholt ab
wirholen ab
ihrholt ab
sie/Sieholen ab
ichwerde abgeholt
duwirst abgeholt
er/sie/eswird abgeholt
wirwerden abgeholt
ihrwerdet abgeholt
sie/Siewerden abgeholt
ichhole ab
duholest ab
er/sie/eshole ab
wirholen ab
ihrholt ab
sie/Sieholen ab
ichwerde abgeholt
duwerdest abgeholt
er/sie/eswerde abgeholt
wirwerden abgeholt
ihrwerdet abgeholt
sie/Siewerden abgeholt
ichholte ab
duholtest ab
er/sie/esholte ab
wirholten ab
ihrholtet ab
sie/Sieholten ab
ichwürde abgeholt
duwürdest abgeholt
er/sie/eswürde abgeholt
wirwürden abgeholt
ihrwürdet abgeholt
sie/Siewürden abgeholt
duhol ab
ihrholt ab
Sieholen ab