verb
afspreken, regelen, overeenkomen
B1
abmachen: scheidbaar werkwoord met de betekenis ‘afspreken’, ‘regelen’ of ‘vastleggen’, bijvoorbeeld een afspraak. Perfekt met haben: abgemacht; voltooid deelwoord: abgemacht. Heel gebruikelijk in gesproken taal, vaak met mit.
Voorbeelden
Haben wir den Preis schon abgemacht?
Zijn we het al over de prijs eens geworden?
Er hat einen Preis abgemacht.
Hij kwam een prijs overeen.
Sie machten eine Uhrzeit ab, damit alle pünktlich kommen würden.
Ze spraken een tijd af, zodat iedereen op tijd zou komen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee mensen voor die papier van een tafel ‘af’ halen (‘ab-’) en dan een plan ‘maken’ — ze hebben iets geregeld.
klinkt als ‘ab’ + ‘make’ (ab-make → abmachen → regelen)
Opmerkingen
Een scheidbaar werkwoord: het voorvoegsel ‘ab-’ scheidt in hoofdzinnen (ich mache ab). Veelvoorkomende betekenissen: ‘regelen’ of ‘afspreken’, afhankelijk van de context.