verb
weigeren, afwijzen
B1
ablehnen is een scheidbaar werkwoord met het voorvoegsel ab-. Het betekent vooral ‘afwijzen’, ‘weigeren’ of ‘verwerpen’. Voltooid deelwoord: abgelehnt; hulpwerkwoord: haben. In de hoofdzin splitst het voorvoegsel: Ich lehne das ab. Geen wederkerend werkwoord.
Voorbeelden
Der Richter lehnte den Antrag ab.
De rechter wees het verzoek af.
Er lehnte den Vorschlag ab.
Hij wees het voorstel af.
Der Rat lehnte den Antrag ab, weil die Kosten zu hoch waren.
De raad verwierp het voorstel omdat de kosten te hoog waren.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je iets met je hand wegduwt — je wijst het af (ablehnen).
Klinkt als «a-bleh-nen» — stel je voor dat je «bleh» zegt om iets te weigeren.
Opmerkingen
Ablehnen is scheidbaar (lehnt ab). Wordt vaak gebruikt voor het weigeren van aanbiedingen of het afwijzen van aanvragen. Het voltooid deelwoord is «abgelehnt».