verb
opstijgen, vertrekken met het vliegtuig
A1
Scheidbaar en sterk werkwoord: abfliegen betekent „opstijgen” of „met het vliegtuig vertrekken”. Perfekt: ist abgeflogen. Präteritum: flog. Het voorvoegsel ab- scheidt zich in vervoegde vormen: ich fliege ab. Niet wederkerig.
Voorbeelden
Das Flugzeug fliegt um 14 Uhr ab.
Het vliegtuig vertrekt om 14.00 uur.
Ihr seid schon abgeflogen.
Jullie zijn al vertrokken.
Das Flugzeug ist pünktlich abgeflogen.
Het vliegtuig is op tijd vertrokken.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een vliegtuig voor dat van de grond loskomt met «ab» erachteraan.
ab + fliegen = wegvliegen / opstijgen (zoals «take off»).
n/a
Opmerkingen
Scheidbaar werkwoord; gebruikt «sein» als hulpwerkwoord in de voltooide tijd: «ist abgeflogen». | Onovergankelijk werkwoord; passieve constructies zijn niet van toepassing.