abfliegen

verb
opstijgen, vertrekken met het vliegtuig
A1

Scheidbaar en sterk werkwoord: abfliegen betekent „opstijgen” of „met het vliegtuig vertrekken”. Perfekt: ist abgeflogen. Präteritum: flog. Het voorvoegsel ab- scheidt zich in vervoegde vormen: ich fliege ab. Niet wederkerig.

Voorbeelden

Das Flugzeug fliegt um 14 Uhr ab.
Het vliegtuig vertrekt om 14.00 uur.
Ihr seid schon abgeflogen.
Jullie zijn al vertrokken.
Das Flugzeug ist pünktlich abgeflogen.
Het vliegtuig is op tijd vertrokken.

Details

Hulpwerkwoordsein
ScheidbaarJa
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
Stamveranderingenflieg- in du/er (fliege -> flieg-), präteritum stem flog-

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es fliegt ab
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es flog ab
Perfekter/sie/es ist abgeflogen

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een vliegtuig voor dat van de grond loskomt met «ab» erachteraan.
👂ab + fliegen = wegvliegen / opstijgen (zoals «take off»).
⚧️n/a

Opmerkingen

Scheidbaar werkwoord; gebruikt «sein» als hulpwerkwoord in de voltooide tijd: «ist abgeflogen». | Onovergankelijk werkwoord; passieve constructies zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichfliege ab
dufliegst ab
er/sie/esfliegt ab
wirfliegen ab
ihrfliegt ab
sie/Siefliegen ab
ichfliege ab
dufliegest ab
er/sie/esfliege ab
wirfliegen ab
ihrflieget ab
sie/Siefliegen ab
ichwürde abfliegen
duwürdest abfliegen
er/sie/eswürde abfliegen
wirwürden abfliegen
ihrwürdet abfliegen
sie/Siewürden abfliegen
duFlieg ab!
ihrFliegt ab!
SieFliegen ab!