noun
afval, vuilnis, rommel
B1
„Abfall” betekent „afval” of „vuilnis” en verwijst naar weg te gooien resten. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord; meervoud: Abfälle. Komt vaak voor in samenstellingen zoals Hausmüll of Bioabfall. Veel gebruikt in het dagelijks leven, bij afvalscheiding en recycling.
Voorbeelden
Der Abfall wurde gestern abgeholt.
Het afval werd gisteren opgehaald.
Bitte trenne deinen Abfall in Papier und Plastik.
Scheid je afval alstublieft in papier en plastic.
Werfen Sie den Bioabfall bitte nicht in den normalen Müll.
Gooi het GFT-afval alstublieft niet in het gewone afval.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een bak voor die overloopt met etensresten en verpakkingen met het label «Abfall».
Klinkt een beetje als Engels «offal» — beide gaan over restjes/weggooien (maar de betekenis is anders).
Der Abfall — «der» zoals bij andere mannelijke alledaagse woorden, bv. «der Müll».
Opmerkingen
Heel gewoon woord voor afval; vaak uitwisselbaar met «Müll», maar «Abfall» is iets formeler/collectiever.