verb
afslaan, afbuigen, een bocht nemen
B1
abbiegen is een scheidbaar werkwoord (ab|biegen) en betekent „afslaan”, „afbuigen” of „een hoek om gaan”. Het is onovergankelijk en krijgt in het perfect sein: ist abgebogen. Sterk werkwoord: Präteritum bog, Partizip II abgebogen.
Voorbeelden
Ich bin falsch abgebogen.
Ik ben verkeerd afgeslagen.
Nach dem Hotel biegt die Straße scharf nach rechts ab; dort musst du abbiegen.
Na het hotel buigt de weg scherp naar rechts af; daar moet je afslaan.
Am Ende der Straße bog das Auto ab, weil der Fahrer dem Navi folgen musste.
Aan het einde van de straat sloeg de auto af, omdat de bestuurder de gps moest volgen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een auto op een kruispunt voor waarvan de voorwielen draaien om van de weg af te gaan.
Klinkt een beetje als Engels «ab-bee-gen» — denk aan «aBEND» (bend = draaien).
Opmerkingen
Scheidbaar werkwoord (voorvoegsel ab-). Bewegingswerkwoord dat in de voltooide tijd meestal het hulpwerkwoord sein gebruikt. Vaak gebruikt in routebeschrijvingen. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vorm is niet van toepassing.