verb
vertrekken, wegrijden, op pad gaan
B1
losfahren is een scheidbaar sterk werkwoord en betekent ‘vertrekken’, ‘wegrijden’ of ‘op weg gaan’. Het voorvoegsel los- scheidt zich (fahr-los); in het perfect gebruik je sein: ist losgefahren. Er is klinkerwisseling a → ä (du fährst).
Voorbeelden
Bevor der Bus losfuhr, kontrollierte der Fahrer die Bremsen, damit keine Probleme entstanden.
Voordat de bus vertrok, controleerde de chauffeur de remmen zodat er geen problemen ontstonden.
Ich fahre jetzt los.
Ik vertrek nu.
Der Zug wird in fünf Minuten losfahren.
De trein vertrekt over vijf minuten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een auto voor met een klein vlaggetje waarop ‘LOS!’ staat terwijl hij begint te rijden
denk aan ‘loose’ + ‘far’ + ‘hen’ (stel je een kip voor die wegrijdt)
Opmerkingen
Losfahren is scheidbaar: in hoofdzinnen scheidt het voorvoegsel ‘los’ zich af (fahre los). In voltooide tijden van beweging gebruikt het meestal ‘sein’ (bin losgefahren). Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing, omdat het werkwoord een onovergankelijke beweging beschrijft en normaal geen lijdend voorwerp heeft voor een echt lijdende vorm.