losfahren

verb
vertrekken, wegrijden, op pad gaan
B1

losfahren is een scheidbaar sterk werkwoord en betekent ‘vertrekken’, ‘wegrijden’ of ‘op weg gaan’. Het voorvoegsel los- scheidt zich (fahr-los); in het perfect gebruik je sein: ist losgefahren. Er is klinkerwisseling a → ä (du fährst).

Voorbeelden

Bevor der Bus losfuhr, kontrollierte der Fahrer die Bremsen, damit keine Probleme entstanden.
Voordat de bus vertrok, controleerde de chauffeur de remmen zodat er geen problemen ontstonden.
Ich fahre jetzt los.
Ik vertrek nu.
Der Zug wird in fünf Minuten losfahren.
De trein vertrekt over vijf minuten.

Details

Hulpwerkwoordsein
ScheidbaarJa
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
Stamveranderingena → ä in present (du/er: fährst/fährt); past stem fuhr

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es fährt los
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es fuhr los
Perfekter/sie/es ist losgefahren

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een auto voor met een klein vlaggetje waarop ‘LOS!’ staat terwijl hij begint te rijden
👂denk aan ‘loose’ + ‘far’ + ‘hen’ (stel je een kip voor die wegrijdt)

Opmerkingen

Losfahren is scheidbaar: in hoofdzinnen scheidt het voorvoegsel ‘los’ zich af (fahre los). In voltooide tijden van beweging gebruikt het meestal ‘sein’ (bin losgefahren). Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing, omdat het werkwoord een onovergankelijke beweging beschrijft en normaal geen lijdend voorwerp heeft voor een echt lijdende vorm.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichfahre los
dufährst los
er/sie/esfährt los
wirfahren los
ihrfahrt los
sie/Siefahren los
ichfahre los
dufahrest los
er/sie/esfahre los
wirfahren los
ihrfahret los
sie/Siefahren los
ichwürde losfahren
duwürdest losfahren
er/sie/eswürde losfahren
wirwürden losfahren
ihrwürdet losfahren
sie/Siewürden losfahren
dufahr los!
ihrfahrt los!
Siefahren los!