noun
tijdstip, moment, punt in de tijd
B1
Zeitpunkt (m.) betekent „tijdstip” of „precies moment”: een exact punt in de tijd. Meervoud: Zeitpunkte. Mannelijk zelfstandig naamwoord met regelmatige verbuiging: der Zeitpunkt, die Zeitpunkte. Vaak gebruikt in de uitdrukking zum Zeitpunkt, vooral in formele context.
Voorbeelden
Er ist krank. Das ist kein guter Zeitpunkt für einen Besuch.
Hij is ziek. Dit is geen goed moment voor een bezoek.
In diesem Moment war der richtige Zeitpunkt gekommen.
Op dat moment was het juiste moment gekomen.
Die Firma gab den Zeitpunkt der Lieferung bekannt, nachdem der Lieferant eine Bestätigung schickte.
Het bedrijf maakte de levertijd bekend nadat de leverancier een bevestiging had gestuurd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een enkel punt op een tijdlijn voor met het label „Zeitpunkt” — een precies gemarkeerd moment.
Klinkt als „time point” in het Engels — denk aan „tijdpunt”.
der — stel je een mannelijke klokbewaker (der) voor die naar een specifiek moment wijst.
Opmerkingen
Zeitpunkt is een neutraal klinkende term voor een specifiek punt in de tijd; let op dat het zelfstandig naamwoord mannelijk is (der Zeitpunkt). Niet verwarren met „Zeit” (tijd), dat algemener is.