Kalender

noun
kalender
A2

Kalender betekent ‘kalender’ of ‘agenda/afsprakenboek’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Kalender. Meervoud: Kalender, zonder verandering. Genitief enkelvoud: des Kalenders. Gewone verbuiging, zonder umlaut in het meervoud. Handig voor data, afspraken en planning.

Voorbeelden

Ich markiere den Geburtstag im Kalender.
Ik markeer de verjaardag in de kalender.
Die Sekretärin trug die Termine in den Kalender ein, als der Chef sie bestätigte.
De secretaresse zette de afspraken in de agenda toen de baas ze bevestigde.
Ich habe einen Kalender.
Ik heb een kalender.

Details

MeervoudKalender

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Kalenderdie Kalender
genitivedes Kalendersder Kalender
dativedem Kalenderden Kalendern
accusativeden Kalenderdie Kalender

Ezelsbruggetjes

👂Lijkt op het Engelse «calendar» — dezelfde betekenis.
⚧️der — stel je een mannelijke kantoormedewerker voor die data in de kalender schrijft.

Opmerkingen

Wordt zowel gebruikt voor wandkalenders als voor agenda’s/roosters. Het meervoud is meestal identiek aan de enkelvoudsvorm.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek