noun
kalender
A2
Kalender betekent ‘kalender’ of ‘agenda/afsprakenboek’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Kalender. Meervoud: Kalender, zonder verandering. Genitief enkelvoud: des Kalenders. Gewone verbuiging, zonder umlaut in het meervoud. Handig voor data, afspraken en planning.
Voorbeelden
Ich markiere den Geburtstag im Kalender.
Ik markeer de verjaardag in de kalender.
Die Sekretärin trug die Termine in den Kalender ein, als der Chef sie bestätigte.
De secretaresse zette de afspraken in de agenda toen de baas ze bevestigde.
Ich habe einen Kalender.
Ik heb een kalender.
Details
Ezelsbruggetjes
Lijkt op het Engelse «calendar» — dezelfde betekenis.
der — stel je een mannelijke kantoormedewerker voor die data in de kalender schrijft.
Opmerkingen
Wordt zowel gebruikt voor wandkalenders als voor agenda’s/roosters. Het meervoud is meestal identiek aan de enkelvoudsvorm.