noun
toekomst, de toekomst, komende tijd
B1
Zukunft (v.) betekent „toekomst”. Meestal gebruik je het enkelvoud voor de tijd die nog komt, maar het meervoud Zukünfte bestaat ook, bijvoorbeeld voor verschillende mogelijke toekomsten. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Zukunft. Veel voorkomend in in Zukunft en für die Zukunft.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Wir müssen für die Zukunft planen.
We moeten voor de toekomst plannen.
Die Zukunft ist ungewiss.
De toekomst is onzeker.
Die Zukunft ist ungewiss.
De toekomst is onzeker.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een kalender voor met lege pagina’s ervoor, gelabeld ‘Zukunft’ — de komende tijd.
Denk aan ‘zo snel komt’ — ‘Künft’ hangt samen met ‘komen’, dus Zukunft = wat eraan komt.
de (vrouwelijk). Koppel ‘die Zukunft’ aan een begrip als ‘die Geschichte’ of ‘die Zeit’.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Zukunft wordt vaak gebruikt als een niet-telbaar zelfstandig naamwoord in de betekenis van «de toekomst». Het meervoud Zukünfte komt vooral voor in literaire of vergelijkende contexten (verschillende mogelijke toekomsten).