Zukunft

noun
toekomst, de toekomst, komende tijd
B1

Zukunft (v.) betekent „toekomst”. Meestal gebruik je het enkelvoud voor de tijd die nog komt, maar het meervoud Zukünfte bestaat ook, bijvoorbeeld voor verschillende mogelijke toekomsten. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Zukunft. Veel voorkomend in in Zukunft en für die Zukunft.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Wir müssen für die Zukunft planen.
We moeten voor de toekomst plannen.
Die Zukunft ist ungewiss.
De toekomst is onzeker.
Die Zukunft ist ungewiss.
De toekomst is onzeker.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALZukünfte

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativedie Zukunftdie Zukünfte
genitiveder Zukunftder Zukünfte
dativeder Zukunftden Zukünften
accusativedie Zukunftdie Zukünfte

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een kalender voor met lege pagina’s ervoor, gelabeld ‘Zukunft’ — de komende tijd.
👂Denk aan ‘zo snel komt’ — ‘Künft’ hangt samen met ‘komen’, dus Zukunft = wat eraan komt.
⚧️de (vrouwelijk). Koppel ‘die Zukunft’ aan een begrip als ‘die Geschichte’ of ‘die Zeit’.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Zukunft wordt vaak gebruikt als een niet-telbaar zelfstandig naamwoord in de betekenis van «de toekomst». Het meervoud Zukünfte komt vooral voor in literaire of vergelijkende contexten (verschillende mogelijke toekomsten).

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS