verb
tonen, laten zien, aanduiden
A2
zeigen: regelmatig werkwoord met de betekenis ‘tonen’ of ‘aanwijzen’. Het is transitief: iets wordt aan iemand getoond, met accusatief voor het object en datief voor de persoon. Perfekt met haben; voltooid deelwoord: gezeigt.
Voorbeelden
Er zeigte mir das Haus.
Hij liet me het huis zien.
Kannst du mir das Foto zeigen?
Kun je me de foto laten zien?
Ich zeige dir den Weg.
Ik zal je de weg wijzen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat iemand een foto omhooghoudt en zegt: «Ich zeige es dir.»
klinkt als «zine-en» — stel je voor dat je een tijdschrift («Zeitschrift») laat zien.
Opmerkingen
Veelgebruikt transitief werkwoord. Vaak gevolgd door een lijdend voorwerp.