zeigen

verb
tonen, laten zien, aanduiden
A2

zeigen: regelmatig werkwoord met de betekenis ‘tonen’ of ‘aanwijzen’. Het is transitief: iets wordt aan iemand getoond, met accusatief voor het object en datief voor de persoon. Perfekt met haben; voltooid deelwoord: gezeigt.

Voorbeelden

Er zeigte mir das Haus.
Hij liet me het huis zien.
Kannst du mir das Foto zeigen?
Kun je me de foto laten zien?
Ich zeige dir den Weg.
Ik zal je de weg wijzen.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es zeigt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es zeigte
Perfekter/sie/es hat gezeigt

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je voor dat iemand een foto omhooghoudt en zegt: «Ich zeige es dir.»
👂klinkt als «zine-en» — stel je voor dat je een tijdschrift («Zeitschrift») laat zien.

Opmerkingen

Veelgebruikt transitief werkwoord. Vaak gevolgd door een lijdend voorwerp.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichzeige
duzeigst
er/sie/eszeigt
wirzeigen
ihrzeigt
sie/Siezeigen
ichwerde gezeigt
duwirst gezeigt
er/sie/eswird gezeigt
wirwerden gezeigt
ihrwerdet gezeigt
sie/Siewerden gezeigt
ichzeige
duzeigest
er/sie/eszeige
wirzeigen
ihrzeiget
sie/Siezeigen
ichwerde gezeigt
duwerdest gezeigt
er/sie/eswerde gezeigt
wirwerden gezeigt
ihrwerdet gezeigt
sie/Siewerden gezeigt
ichwürde zeigen
duwürdest zeigen
er/sie/eswürde zeigen
wirwürden zeigen
ihrwürdet zeigen
sie/Siewürden zeigen
ichwürde gezeigt werden
duwürdest gezeigt werden
er/sie/eswürde gezeigt werden
wirwürden gezeigt werden
ihrwürdet gezeigt werden
sie/Siewürden gezeigt werden
duzeige
ihrzeigt
Siezeigen