noun
afsprakenagenda, agenda, planning
B1
Terminkalender (m.) betekent ‘agenda’ of ‘afsprakenkalender’. Meervoud: Terminkalender. Genitief: des Terminkalenders. Het woord gebruik je om afspraken in te plannen of na te kijken, zowel privé als op kantoor. Handige combinaties: einen Termin eintragen, im Terminkalender nachsehen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Assistentin blätterte im Terminkalender, weil der Chef dringend einen neuen Termin brauchte.
De assistente bladerde in de agenda, omdat de baas dringend een nieuwe afspraak nodig had.
Ich habe den Termin in meinem Terminkalender notiert.
Ik heb de afspraak in mijn agenda genoteerd.
Ich muss den Termin in meinen Terminkalender eintragen.
Ik moet de afspraak in mijn agenda zetten.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een kalender voor vol met post-its, elk met een afspraak erop.
Denk aan ‘term-in-calendar’ — stel je een afspraak voor die in een kalender wordt gezet.
Der = mannelijk. Stel je een grote ‘DER’-sticker bovenaan de kalender voor.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Terminkalender legt specifiek de nadruk op geplande afspraken (Termine). Het is meer op afspraken gericht dan de algemenere Kalender.