Terminkalender

noun
afsprakenagenda, agenda, planning
B1

Terminkalender (m.) betekent ‘agenda’ of ‘afsprakenkalender’. Meervoud: Terminkalender. Genitief: des Terminkalenders. Het woord gebruik je om afspraken in te plannen of na te kijken, zowel privé als op kantoor. Handige combinaties: einen Termin eintragen, im Terminkalender nachsehen.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Die Assistentin blätterte im Terminkalender, weil der Chef dringend einen neuen Termin brauchte.
De assistente bladerde in de agenda, omdat de baas dringend een nieuwe afspraak nodig had.
Ich habe den Termin in meinem Terminkalender notiert.
Ik heb de afspraak in mijn agenda genoteerd.
Ich muss den Termin in meinen Terminkalender eintragen.
Ik moet de afspraak in mijn agenda zetten.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALTerminkalender

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Terminkalenderdie Terminkalender
genitivedes Terminkalendersder Terminkalender
dativedem Terminkalenderden Terminkalendern
accusativeden Terminkalenderdie Terminkalender

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een kalender voor vol met post-its, elk met een afspraak erop.
👂Denk aan ‘term-in-calendar’ — stel je een afspraak voor die in een kalender wordt gezet.
⚧️Der = mannelijk. Stel je een grote ‘DER’-sticker bovenaan de kalender voor.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Terminkalender legt specifiek de nadruk op geplande afspraken (Termine). Het is meer op afspraken gericht dan de algemenere Kalender.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS