noun
tent
A2
Zelt betekent „tent”, vooral voor kamperen of als tijdelijke schuilplaats. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Zelt; meervoud: die Zelte. Regelmatige verbuiging: des Zeltes, dem Zelt, den Zelten. Veel gebruikt in kampeercontexten.
Voorbeelden
Wir haben ein großes Zelt am See aufgebaut.
We hebben een grote tent opgezet bij het meer.
Die Organisation stellte ein Zelt auf, damit die Helfer bei schlechtem Wetter arbeiten konnten.
De organisatie zette een tent op zodat de helpers bij slecht weer konden werken.
Wir machen Camping-Urlaub und nehmen ein Zelt mit.
We gaan kamperen en nemen een tent mee.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een kampeertent voor die in een veld staat.
zelt ~ 'belt' (ritme) — stel je een tent voor met een riem eromheen.
das — stel je een neutraal kampeerbord voor (neutrale aanwijzing).