verb
willen
A1
wollen is een modaal werkwoord en betekent ‘willen’, ‘verlangen’ of ‘van plan zijn’. Onregelmatige vormen: ich will, du willst, er will; verleden tijd wollte; voltooid deelwoord gewollt. Het staat met een tweede infinitief en vormt het perfect met haben.
Voorbeelden
Obwohl die Chefin streng war, wollten die Mitarbeiter länger bleiben, damit das Projekt fertig wurde.
Hoewel de baas streng was, wilden de werknemers langer blijven zodat het project af zou zijn.
Er wollte nach Hause gehen.
Hij wilde naar huis gaan.
Sie hat das nicht gewollt.
Ze wilde dat niet.
Details
Ezelsbruggetjes
een persoon die reikt naar iets wat hij wil
klinkt als 'want' → 'woll-' lijkt op het Engelse 'will'
Opmerkingen
Modaal werkwoord. Tegenwoordige tijd: ich will, du willst. Voltooid deelwoord/perfectum: 'ich habe gewollt'. Imperatiefvormen voor 'wollen' zijn archaïsch of zeer zeldzaam voor direct gebruik met 'du' en 'ihr'; in normaal gebruik bestaat er geen standaard imperatief voor 'du'. Imperatiefvormen worden hier als niet van toepassing beschouwd omdat de imperatief van 'wollen' archaïsch/zeldzaam is.