verb
danken, bedanken
A1
Regelmatig werkwoord: „danken” betekent „danken / bedanken”. Het staat vaak met de datief: jemandem danken. Perfekt met haben: hat gedankt. Niet scheidbaar en niet wederkerig; imperatief: danke, dankt.
Voorbeelden
Ich danke dir für deine Hilfe.
Ik dank je voor je hulp.
Ich habe dir gedankt.
Ik heb je bedankt.
Er dankte ihr für das Geschenk.
Hij bedankte haar voor het cadeau.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je ‘dank je wel’ zegt en een klein buiginkje maakt.
Denk aan ‘thank’ + ‘en’ — als Engels ‘thank’ met de Duitse infinitiefuitgang.
Opmerkingen
„Danken” neemt een datiefobject (ich danke dir). Passieve vormen zijn doorgaans niet van toepassing op dit onovergankelijke / datief-vereisende werkwoord.