noun
appartement, woning, flat
A1
Wohnung (v.) betekent ‘appartement’ of ‘woning’: een privéwoonruimte in een gebouw. Meervoud: Wohnungen. Regelmatige verbuiging: die Wohnung, der Wohnung in de datief. Veelgebruikte combinaties zijn eine Wohnung mieten en vermieten. Heel gangbaar in alledaagse huisvesting.
Voorbeelden
Die Wohnung hat zwei Zimmer.
Het appartement heeft twee kamers.
Wir suchen eine möblierte Wohnung, möglichst im Zentrum.
We zoeken een gemeubileerd appartement, bij voorkeur in het centrum.
Die junge Frau suchte eine Wohnung, die günstig lag, weil der Weg zur Arbeit kurz sein sollte.
De jonge vrouw zocht een appartement dat gunstig lag, omdat de reis naar het werk kort moest zijn.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een gezellig appartementinterieur voor om «Wohnung» te onthouden.
die Wohnung — vrouwelijk: stel je een deur met een lint voor (vrouwelijk).
Opmerkingen
Veelgebruikt woord voor een zelfstandige woonruimte; meervoud: Wohnungen.