verb
wonen, verblijven
A1
wohnen is een regelmatig werkwoord en betekent ‘wonen’, ‘verblijven’ of ‘resideren’. Voltooid deelwoord: gewohnt; perfect met haben: ich habe gewohnt. Het is niet wederkerig en niet scheidbaar. Vaak met wohnen in + datief of wohnen bei + datief.
Voorbeelden
Er wohnte früher in Hamburg.
Hij woonde vroeger in Hamburg.
Sie hat lange in München gewohnt.
Ze heeft lang in München gewoond.
Viele Studenten wohnen in Wohngemeinschaften.
Veel studenten wonen in gedeelde flats.
Details
Ezelsbruggetjes
een huis-icoon met een persoon erin
klinkt als ‘woh-nen’ → ‘home - nen’ (thuis wonen)
Opmerkingen
Regelmatig (zwak) werkwoord. Het perfectum wordt gevormd met «haben». Het procespassief (Vorgangspassiv) wordt normaal niet gebruikt met «wohnen» (intransitief); passieve paradigma-invoer is daarom niet van toepassing en hieronder weggelaten. | Intransitief werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.