wohnen

verb
wonen, verblijven
A1

wohnen is een regelmatig werkwoord en betekent ‘wonen’, ‘verblijven’ of ‘resideren’. Voltooid deelwoord: gewohnt; perfect met haben: ich habe gewohnt. Het is niet wederkerig en niet scheidbaar. Vaak met wohnen in + datief of wohnen bei + datief.

Voorbeelden

Er wohnte früher in Hamburg.
Hij woonde vroeger in Hamburg.
Sie hat lange in München gewohnt.
Ze heeft lang in München gewoond.
Viele Studenten wohnen in Wohngemeinschaften.
Veel studenten wonen in gedeelde flats.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak
StamveranderingenNo stem vowel changes; regular weak verb.

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es wohnt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es wohnte
Perfekter/sie/es hat gewohnt

Ezelsbruggetjes

👁️een huis-icoon met een persoon erin
👂klinkt als ‘woh-nen’ → ‘home - nen’ (thuis wonen)

Opmerkingen

Regelmatig (zwak) werkwoord. Het perfectum wordt gevormd met «haben». Het procespassief (Vorgangspassiv) wordt normaal niet gebruikt met «wohnen» (intransitief); passieve paradigma-invoer is daarom niet van toepassing en hieronder weggelaten. | Intransitief werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichwohne
duwohnst
er/sie/eswohnt
wirwohnen
ihrwohnt
sie/Siewohnen
ichwohne
duwohnest
er/sie/eswohne
wirwohnen
ihrwohnet
sie/Siewohnen
ichwohnte
duwohntest
er/sie/eswohnte
wirwohnten
ihrwohntet
sie/Siewohnten
duwohne!
ihrwohnt!
SieWohnen!