Wohnsitz

noun
woonplaats, verblijfplaats, domicilie
B1

Wohnsitz betekent ‘woonplaats’, ‘verblijfplaats’ of officieel ‘domicilie’, vooral in juridische en administratieve context. Mannelijk: der Wohnsitz; meervoud: die Wohnsitze. Genitief: des Wohnsitzes. Veel gebruikt in formulieren en officiële inschrijvingen.

Voorbeelden

Der Wohnsitz des Antragstellers muss im Formular vermerkt sein.
De woonplaats van de aanvrager moet op het formulier worden vermeld.
Für steuerliche Zwecke ist der Wohnsitz ausschlaggebend.
Voor fiscale doeleinden is de woonplaats doorslaggevend.
Das Gericht bestätigte den Wohnsitz des Zeugen, nachdem mehrere Nachbarn aussagten, dass er seit Jahren dort gelebt hatte.
De rechtbank bevestigde de woonplaats van de getuige nadat meerdere buren hadden verklaard dat hij daar al jaren had gewoond.

Details

MeervoudWohnsitze

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Wohnsitzdie Wohnsitze
genitivedes Wohnsitzesder Wohnsitze
dativedem Wohnsitzden Wohnsitzen
accusativeden Wohnsitzdie Wohnsitze

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een officiële registerpagina voor met een adresvermelding «Wohnsitz».
👂Denk aan «wohn» = wonen + «sitz» = zitplaats — je «woonzitplaats» (de plek waar je officieel woont).
⚧️der = denk aan «der Sitz» (de zitplaats) om het mannelijke geslacht te onthouden.

Opmerkingen

Wohnsitz is een formelere/juridische term dan Wohnort en komt vaak voor in officiële documenten en juridische contexten.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek