noun
kamer, ruimte
A1
Zimmer is een onzijdig zelfstandig naamwoord en betekent „kamer” of „vertrek”, bijvoorbeeld een hotelkamer of slaapkamer. Het meervoud is gelijk: die Zimmer. Verbuiging: des Zimmers, dem Zimmer. Vaak gebruikt met in/im voor een plaatsaanduiding.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Als das Zimmer frisch gestrichen wurde, bemerkten die Gäste, dass es größer wirkte.
Toen de kamer pas was geschilderd, merkten de gasten dat ze groter leek.
Mein Zimmer ist nicht sehr groß, aber gemütlich.
Mijn kamer is niet erg groot, maar gezellig.
Das Zimmer ist groß und hell.
De kamer is groot en licht.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een kamer voor met meubels en een bordje «Zimmer».
das Zimmer — onzijdig: stel je een neutraal gekleurde kamer voor.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Meervoud « Zimmer » (dezelfde vorm).