verb
sluiten, afsluiten, besluiten
A1
schließen betekent ‘sluiten’ en ook ‘concluderen’ of ‘afleiden’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord met haben als hulpwerkwoord. Tegenwoordige tijd: du schließt, er schließt; verleden tijd: schloss. In de 2e en 3e persoon enkelvoud verschijnt een umlaut. Niet scheidbaar.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich habe den Laden geschlossen.
Ik heb de winkel gesloten.
Sie schloss das Fenster.
Zij sloot het raam.
Der Laden schloss früher als geplant, weil viele Mitarbeiter krank waren.
De winkel sloot eerder dan gepland, omdat veel werknemers ziek waren.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een deur voor die dichtgaat met 'schließen' op de klink.
Schließen klinkt als 'slie-sen' — denk aan iets dat je dichttrekt.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Onregelmatig sterk werkwoord: Präsens du schließt (met umlaut), Präteritum 'schloss', Partizip II 'geschlossen'.