verb
leven, in leven zijn
A1
leben betekent ‘leven’, ‘wonen’ of ‘in leven zijn’. Het is een regelmatig zwak werkwoord; het perfectum vormt met haben: ich habe gelebt. Voltooid deelwoord: gelebt, verleden tijd: lebte. Niet wederkerend. Gebruik het voor bestaan, wonen of een periode in het verleden: ich habe dort gelebt.
Voorbeelden
Ich lebe in Berlin.
Ik woon in Berlijn.
Der Künstler lebte mehrere Jahre im Ausland, damit er neue Eindrücke sammelte.
De kunstenaar woonde meerdere jaren in het buitenland, zodat hij nieuwe indrukken kon opdoen.
Meine Eltern leben in Berlin.
Mijn ouders wonen in Berlijn.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een ‘levenslogboek’ (leben) voor waarin dagelijkse gebeurtenissen worden bijgehouden
klinkt als ‘leave’ maar met een b — denk aan ‘leven’, niet aan weggaan
Opmerkingen
Wordt zowel gebruikt voor wonen als voor in leven zijn. Regelmatig zwak werkwoord met haben als hulpwerkwoord in voltooide tijden. Intransitieve/statieve gebruiken: passieve vervoegingsblokken zijn niet van toepassing, omdat «leben» normaal niet transitief wordt gebruikt om een zinvol lijdend-passief te vormen.