leben

verb
leven, in leven zijn
A1

leben betekent ‘leven’, ‘wonen’ of ‘in leven zijn’. Het is een regelmatig zwak werkwoord; het perfectum vormt met haben: ich habe gelebt. Voltooid deelwoord: gelebt, verleden tijd: lebte. Niet wederkerend. Gebruik het voor bestaan, wonen of een periode in het verleden: ich habe dort gelebt.

Voorbeelden

Ich lebe in Berlin.
Ik woon in Berlijn.
Der Künstler lebte mehrere Jahre im Ausland, damit er neue Eindrücke sammelte.
De kunstenaar woonde meerdere jaren in het buitenland, zodat hij nieuwe indrukken kon opdoen.
Meine Eltern leben in Berlin.
Mijn ouders wonen in Berlijn.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es lebt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es lebte
Perfekter/sie/es hat gelebt

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een ‘levenslogboek’ (leben) voor waarin dagelijkse gebeurtenissen worden bijgehouden
👂klinkt als ‘leave’ maar met een b — denk aan ‘leven’, niet aan weggaan

Opmerkingen

Wordt zowel gebruikt voor wonen als voor in leven zijn. Regelmatig zwak werkwoord met haben als hulpwerkwoord in voltooide tijden. Intransitieve/statieve gebruiken: passieve vervoegingsblokken zijn niet van toepassing, omdat «leben» normaal niet transitief wordt gebruikt om een zinvol lijdend-passief te vormen.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichlebe
dulebst
er/sie/eslebt
wirleben
ihrlebt
sie/Sieleben
ichlebe
dulebest
er/sie/eslebe
wirleben
ihrlebet
sie/Sieleben
ichlebte
dulebstet
er/sie/eslebte
wirlebten
ihrlebtet
sie/Sielebten
duleb!
ihrlebt!
SieLeben