wissen

verb
weten, op de hoogte zijn van
A1

wissen betekent ‘weten’ of ‘zich bewust zijn van’. Het is een onregelmatig, niet-reflexief werkwoord en vormt het perfect met haben: habe gewusst. In de tegenwoordige tijd is er klinkerwisseling: ich weiß, du weißt; verleden tijd: wusste; voltooid deelwoord: gewusst.

Voorbeelden

Ich weiß die Antwort.
Ik weet het antwoord.
Die Reporter wussten nicht, dass der Minister bereits zurückgetreten war, bevor die Nachricht veröffentlicht wurde.
De verslaggevers wisten niet dat de minister al was afgetreden voordat het nieuws werd gepubliceerd.
Sie wusste die Lösung.
Zij wist het antwoord.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypemixed
StamveranderingenIrregular: present stem vowel changes historically i -> ei (ich weiß, du weißt). Past uses 'wusste'.

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es weiß
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es wusste
Perfekter/sie/es hat gewusst

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een persoon voor met een gloeiende gloeilamp en een badge met «WISS» — die weet meteen het antwoord.
👂Klinkt een beetje als het Engelse «whiz» (iemand die veel weet). Denk: «whiz» = weet.

Opmerkingen

Wordt vaak tegenover kennen geplaatst: wissen verwijst naar het kennen van feiten of het hebben van kennis (Ich weiß, dass...), terwijl kennen betekent dat je iemand of een plaats kent (Ich kenne ihn). «Wissen» is onregelmatig/gemengd: tegenwoordige tijd ich weiß, verleden tijd ich wusste, voltooid deelwoord gewusst.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichweiß
duweißt
er/sie/esweiß
wirwissen
ihrwisst
sie/Siewissen
ichwerde gewusst
duwirst gewusst
er/sie/eswird gewusst
wirwerden gewusst
ihrwerdet gewusst
sie/Siewerden gewusst
ichwisse
duwissest
er/sie/eswisse
wirwissen
ihrwisset
sie/Siewissen
ichwerde gewusst
duwerdest gewusst
er/sie/eswerde gewusst
wirwerden gewusst
ihrwerdet gewusst
sie/Siewerden gewusst
ichwüsste
duwürstest
er/sie/eswüsste
wirwüssten
ihrwürdet wissen
sie/Siewüssten
ichwürde gewusst
duwürdest gewusst
er/sie/eswürde gewusst
wirwürden gewusst
ihrwürdet gewusst
sie/Siewürden gewusst
duWisse!
ihrWisst!
SieWissen!