verb
weten, op de hoogte zijn van
A1
wissen betekent ‘weten’ of ‘zich bewust zijn van’. Het is een onregelmatig, niet-reflexief werkwoord en vormt het perfect met haben: habe gewusst. In de tegenwoordige tijd is er klinkerwisseling: ich weiß, du weißt; verleden tijd: wusste; voltooid deelwoord: gewusst.
Voorbeelden
Ich weiß die Antwort.
Ik weet het antwoord.
Die Reporter wussten nicht, dass der Minister bereits zurückgetreten war, bevor die Nachricht veröffentlicht wurde.
De verslaggevers wisten niet dat de minister al was afgetreden voordat het nieuws werd gepubliceerd.
Sie wusste die Lösung.
Zij wist het antwoord.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een persoon voor met een gloeiende gloeilamp en een badge met «WISS» — die weet meteen het antwoord.
Klinkt een beetje als het Engelse «whiz» (iemand die veel weet). Denk: «whiz» = weet.
Opmerkingen
Wordt vaak tegenover kennen geplaatst: wissen verwijst naar het kennen van feiten of het hebben van kennis (Ich weiß, dass...), terwijl kennen betekent dat je iemand of een plaats kent (Ich kenne ihn). «Wissen» is onregelmatig/gemengd: tegenwoordige tijd ich weiß, verleden tijd ich wusste, voltooid deelwoord gewusst.