verb
uitspreken, uitdrukken, bespreken en oplossen
A2
aussprechen is een scheidbaar sterk werkwoord met klinkerverandering e→i. Het betekent: een woord uitspreken, een mening uiten, of sich mit jemandem aussprechen = iets openlijk bespreken en oplossen. Voltooid deelwoord: ausgesprochen.
Voorbeelden
Ich spreche das Wort richtig aus.
Ik spreek het woord correct uit.
Sie sprach das Wort falsch aus.
Ze sprak het woord verkeerd uit.
Er hat seine Meinung ausgesprochen.
Hij heeft zijn mening geuit.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je het woord uit je mond duwt terwijl je het zegt (het voorvoegsel „aus-” betekent „naar buiten”: out + speak).
Denk aan „out-speak” — „aus” = naar buiten, „sprechen” = spreken.
Opmerkingen
aussprechen is een scheidbaar werkwoord (het voorvoegsel „aus-” gaat in hoofdzin naar het einde: ich spreche das Wort aus). Het kan niet-reflexief worden gebruikt (bijv. ein Wort aussprechen = een woord uitspreken) en reflexief (sich aussprechen = ergens openlijk over praten / iets uitpraten). Stamveranderingen volgen spreken: ich spreche, du sprichst, er spricht; voltooid deelwoord: ausgesprochen. Hulpwerkwoord voor de voltooide tijden: haben.