noun
economie, bedrijfsleven, handel, zaak
B1
Wirtschaft betekent vooral ‘economie’ en, afhankelijk van de context, ook ‘bedrijfsleven’ of ‘handel’. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Wirtschaft. Meervoud: Wirtschaften, maar in de economische betekenis wordt het vaak onzijdig/onzegbaar gebruikt. Regionaal kan het ook ‘café’ of ‘herberg’ betekenen.
Voorbeelden
Die deutsche Wirtschaft wächst dieses Jahr stärker als erwartet.
De Duitse economie groeit dit jaar sterker dan verwacht.
Die Wirtschaft wächst.
De economie groeit.
Die Regierung kündigte Hilfen an, weil Hilfe für die Wirtschaft dringend nötig gewesen war.
De regering kondigde steunmaatregelen aan, omdat hulp voor de economie dringend nodig was geweest.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je fabrieken, winkels en kantoren voor die op een kaart met elkaar verbonden zijn — dat hele systeem is de Wirtschaft.
Klinkt als ‘with’ + ‘shaft’ — stel je een grote as voor die veel bedrijven verbindt: de Wirtschaft (economie).
Zelfstandige naamwoorden op -schaft zijn in het Duits vrouwelijk — onthoud die Wirtschaft.
Opmerkingen
« Wirtschaft » kan afhankelijk van de context « de economie » of « zakenleven » / « handel » betekenen. Als « Gastwirtschaft » kan het ook een café of herberg betekenen (regionaal). Het achtervoegsel -schaft duidt meestal op collectieve of abstracte zelfstandige naamwoorden en is vrouwelijk.