adjective
waar, echt, werkelijk
A2
wahr betekent waar, echt of juist. Het is een gradabel bijvoeglijk naamwoord: wahrer, am wahrsten. Tegenstellingen zijn unwahr en falsch. Het is geen voltooid deelwoord en heeft geen vaste prepositie; de verbuiging volgt de normale adjectiefregels.
Voorbeelden
Die Szene sah so wahr aus, dass ich daran zweifelte, ob sie gespielt war.
De scène zag er zo echt uit dat ik twijfelde of ze gespeeld was.
Die Information war wahr, obwohl einige Journalisten zuerst gezweifelt hatten.
De informatie was waar, hoewel sommige journalisten er eerst aan hadden getwijfeld.
Es ist wahr, dass sie immer pünktlich ist.
Het is waar dat ze altijd op tijd is.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een vinkje (✓) voor met ‘W A H R’ erop gestempeld op een document.
Klinkt als ‘var’ in het Engels — denk aan een echte/geldige variabele.
niet van toepassing
Opmerkingen
Wordt zowel als bijvoeglijk naamwoord als in sommige vaste uitdrukkingen gebruikt. ‘wahr’ en ‘wirklich’ overlappen deels in betekenis, maar ‘wahr’ legt de nadruk op waarheid, niet op intensiteit.