falsch

adjective
fout, onjuist, verkeerd
A1

falsch betekent ‘fout’, ‘onjuist’ of ‘verkeerd’, en soms ook ‘vals’. Het is een gewoon bijvoeglijk naamwoord met vergelijking: falscher, am falschesten. Je gebruikt het attributief en predicatief, bv. Das ist falsch. Tegenstellingen: richtig, echt, wahr.

Voorbeelden

Das ist die falsche Antwort.
Dat is het verkeerde antwoord.
Deine Uhr geht falsch.
Je horloge loopt niet goed.
Die Annahme erwies sich als falsch, weil die Daten später korrigiert wurden.
De aanname bleek onjuist te zijn, omdat de gegevens later werden gecorrigeerd.

Details

VergelijkbaarJa
Vergrotende trapfalscher
Overschrijvende trapam falschesten
Voltooid deelwoordNee

Ezelsbruggetjes

👁️stel je een grote rode X voor die iets als fout markeert
👂klinkt als het Engelse „false” — dus niet correct

Opmerkingen

Wordt zowel gebruikt voor feitelijke fouten als voor iets dat niet werkt zoals het hoort.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek