adjective
fout, onjuist, verkeerd
A1
falsch betekent ‘fout’, ‘onjuist’ of ‘verkeerd’, en soms ook ‘vals’. Het is een gewoon bijvoeglijk naamwoord met vergelijking: falscher, am falschesten. Je gebruikt het attributief en predicatief, bv. Das ist falsch. Tegenstellingen: richtig, echt, wahr.
Voorbeelden
Das ist die falsche Antwort.
Dat is het verkeerde antwoord.
Deine Uhr geht falsch.
Je horloge loopt niet goed.
Die Annahme erwies sich als falsch, weil die Daten später korrigiert wurden.
De aanname bleek onjuist te zijn, omdat de gegevens later werden gecorrigeerd.
Details
Ezelsbruggetjes
stel je een grote rode X voor die iets als fout markeert
klinkt als het Engelse „false” — dus niet correct
Opmerkingen
Wordt zowel gebruikt voor feitelijke fouten als voor iets dat niet werkt zoals het hoort.