verb
steken, prikken, doorboren
B1
stechen betekent ‘steken’, ‘prikken’ of ‘doorboren’, afhankelijk van de context, bijvoorbeeld met een naald of insect. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: du stichst, er sticht; verleden tijd stach; voltooid deelwoord gestochen. Hulpwerkwoord: haben.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Biene stach das Kind, obwohl die Eltern versuchten, es zu schützen.
De bij stak het kind, hoewel de ouders probeerden het te beschermen.
Pass auf, du könntest dich mit der Nadel stechen.
Pas op, je zou je kunnen prikken met de naald.
Jemand verschluckt eine Biene und wird im Hals gestochen.
Iemand slikt een bij in en wordt in de keel gestoken.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een bijenangel voor die prikt als een naald — snelle, scherpe beweging.
Klinkt als ‘stitch’ (een scherpe prik).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Wordt vaak gebruikt voor insectensteken en voor scherpe pijnen. Niet verwarren met « stecken » (steken/plaatsen).