verb
eten (van dieren), verslinden
B1
fressen is een sterk, onregelmatig werkwoord en betekent ‘eten’ bij dieren of ‘verslinden’. Tegenwoordige tijd: du/er frisst, verleden tijd: fraß, voltooid deelwoord: gefressen. Het hulpwerkwoord is haben. Niet beleefd voor mensen; ook figuurlijk mogelijk.
Voorbeelden
Der Hund fraß sein Futter schnell.
De hond at zijn voer snel op.
Der Hund fraß das ganze Brot in wenigen Minuten und verschlang es regelrecht.
De hond verslond het hele brood in een paar minuten.
Die Katze frisst ihr Futter.
De kat eet zijn voer.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een hongerig dier voor dat zijn eten met rommelige happen naar binnen schrokt.
Klinkt als het Engelse „fret”, maar denk aan „fress” -> beeld van „feast” om te verslinden.
N/A
Opmerkingen
fressen wordt gebruikt voor dieren die eten (of figuurlijk in de betekenis van „verslinden”). fressen gebruiken voor mensen is onbeleefd; voor mensen gebruik je essen. Voltooid deelwoord: gefressen. Konjunktiv I Präteritum: niet van toepassing — Konjunktiv I wordt gevormd uit de tegenwoordige tijd en het verleden wordt meestal omschrijvend uitgedrukt (Perfekt).