verb
wegen, wiegen, zwengen
B1
wiegen is een sterk werkwoord en betekent ‘wegen’ of ‘wiegen/kalmeren’ (bijv. een baby). Hulpwerkwoord: haben. Verleden tijd: wog; voltooid deelwoord: gewogen. Niet scheidbaar, meestal transitief: Ich wiege das Paket.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich habe mich gewogen.
Ik heb mezelf gewogen.
Kannst du bitte das Paket wiegen?
Kun je het pakket alstublieft wegen?
Der Verkäufer wog die Kartoffeln, weil die Waage am Morgen falsch kalibriert war.
De verkoper woog de aardappelen, omdat de weegschaal 's ochtends verkeerd was gekalibreerd.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Zie een weegschaal met cijfers wanneer je 'wiegen' ziet voor wegen; zie een moeder die zachtjes een baby wiegt voor de betekenis 'wiegen'.
Klinkt als Engels 'weigh' — koppel 'wiegen' aan een weegschaal.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Wiegen is een sterk (onregelmatig) werkwoord: Präteritum 'wog', Partizip II 'gewogen'. Het kan zowel 'wegen' (gewicht meten) als 'wiegen' (sussen) betekenen. Het hulpwerkwoord voor voltooide tijden is 'haben'. Konjunktiv I Präteritum-vormen worden niet gebruikt; eventuele Konjunktiv I Präteritum-invoer is gemarkeerd als 'niet van toepassing'.