wiegen

verb
wegen, wiegen, zwengen
B1

wiegen is een sterk werkwoord en betekent ‘wegen’ of ‘wiegen/kalmeren’ (bijv. een baby). Hulpwerkwoord: haben. Verleden tijd: wog; voltooid deelwoord: gewogen. Niet scheidbaar, meestal transitief: Ich wiege das Paket.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Ich habe mich gewogen.
Ik heb mezelf gewogen.
Kannst du bitte das Paket wiegen?
Kun je het pakket alstublieft wegen?
Der Verkäufer wog die Kartoffeln, weil die Waage am Morgen falsch kalibriert war.
De verkoper woog de aardappelen, omdat de weegschaal 's ochtends verkeerd was gekalibreerd.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.AUXILIARYhaben
VOCABULARY.DETAILS.SEPARABLEVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.REGULARVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.VERB_TYPEstrong
VOCABULARY.DETAILS.STEM_CHANGESStrong verb: Präteritum 'wog', Partizip II 'gewogen'; present retains 'ie' (ich wiege, du wiegst).

VOCABULARY.DETAILS.PRINCIPAL_FORMS

Präsens (3. Sg.)er/sie/es wiegt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es wog
Perfekter/sie/es hat gewogen

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Zie een weegschaal met cijfers wanneer je 'wiegen' ziet voor wegen; zie een moeder die zachtjes een baby wiegt voor de betekenis 'wiegen'.
👂Klinkt als Engels 'weigh' — koppel 'wiegen' aan een weegschaal.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Wiegen is een sterk (onregelmatig) werkwoord: Präteritum 'wog', Partizip II 'gewogen'. Het kan zowel 'wegen' (gewicht meten) als 'wiegen' (sussen) betekenen. Het hulpwerkwoord voor voltooide tijden is 'haben'. Konjunktiv I Präteritum-vormen worden niet gebruikt; eventuele Konjunktiv I Präteritum-invoer is gemarkeerd als 'niet van toepassing'.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS

ichwiege
duwiegst
er/sie/eswiegt
wirwiegen
ihrwiegt
sie/Siewiegen
ichwerde gewogen
duwirst gewogen
er/sie/eswird gewogen
wirwerden gewogen
ihrwerdet gewogen
sie/Siewerden gewogen
ichwiege
duwiegest
er/sie/eswiege
wirwiegen
ihrwieget
sie/Siewiegen
ichwerde gewogen
duwerdest gewogen
er/sie/eswerde gewogen
wirwerden gewogen
ihrwerdet gewogen
sie/Siewerden gewogen
ichwöge
duwögest
er/sie/eswöge
wirwögen
ihrwöget
sie/Siewögen
ichwürde gewogen
duwürdest gewogen
er/sie/eswürde gewogen
wirwürden gewogen
ihrwürdet gewogen
sie/Siewürden gewogen
duwiege!
ihrwiegt!
Siewiegen!