verb
verbinden, koppelen, aansluiten
B1
verbinden betekent verbinden, koppelen of verenigen. Het is een sterk, niet-scheidbaar werkwoord: Präteritum verband, voltooid deelwoord verbunden. Vaak staat het met mit + datief om aan te geven waarmee iets verbonden wordt. Het kan transitief en wederkerend gebruikt worden.
Voorbeelden
Das Kabel verbindet den Drucker mit dem Computer.
De kabel verbindt de printer met de computer.
Sie verband die Wunde.
Ze verbond de wond.
Er hat mich mit dem Chef verbunden.
Hij verbond me door met de baas.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee kabels voor die verbonden worden door een klein bruggetje met het label «verbinden», dat twee eilanden met elkaar verbindt.
Denk aan «bind» of «bond» — verbinden = dingen aan elkaar binden/verbinden.
Opmerkingen
Een veelgebruikt werkwoord voor fysieke en abstracte verbindingen. Het is een sterk (onregelmatig) werkwoord met verleden tijd «verband» en voltooid deelwoord «verbunden». Kan reflexief zijn («sich verbinden») voor verbinding maken of zich aansluiten.