verb
afscheid nemen, afscheid nemen van, aannemen (van een wet), uitzwaaien
B1
verabschieden is een zwak, niet-scheidbaar werkwoord. Het betekent vooral ‘afscheid nemen’, meestal in de reflexieve vorm sich verabschieden. Daarnaast kan het betekenen ‘aannemen/goedkeuren’, bijvoorbeeld een wet. Hulpwerkwoord: haben; voltooid deelwoord: verabschiedet.
Voorbeelden
Wir verabschieden uns von unseren Kollegen.
We nemen afscheid van onze collega’s.
Sie verabschiedete sich von ihm.
Ze nam afscheid van hem.
Ich habe mich von allen verabschiedet.
Ik heb afscheid van iedereen genomen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je zwaait terwijl je door een kleine boog loopt met het label «Ver-Abschied-en» — de boog markeert het vertrek.
Klinkt een beetje als het Engelse «farewell» (beide gaan over afscheid nemen).
Opmerkingen
Kan wederkerend zijn (sich verabschieden = afscheid nemen) of transitief gebruikt worden (jemanden verabschieden = iemand uitzwaaien of een wet/besluit aannemen). Vaak gebruikt in zowel informele afscheidssituaties als formele wetgevende contexten.