verb
veranderen, wijzigen
B1
verändern betekent ‘veranderen’ of ‘wijzigen’. Het is een zwak werkwoord met haben; voltooid deelwoord: verändert. Het kan transitief zijn: etwas verändern, of reflexief: sich verändern = veranderen, evolueren. Handig voor concrete en abstracte veranderingen.
Voorbeelden
Ich verändere meine Frisur.
Ik verander mijn kapsel.
Ich habe mich sehr verändert.
Ik ben veel veranderd.
Der Klimawandel veränderte das Wetter, sodass die Bauern ihre Anbaumethoden anpassen mussten.
De klimaatverandering veranderde het weer, zodat de boeren hun teeltmethoden moesten aanpassen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een verkoper (ver-) voor die spullen omruilt om ze te veranderen — ‘verändern’ = veranderen.
ver-ÄN-dern — onthoud dat ‘ändern’ = veranderen; het voorvoegsel ‘ver-’ wijzigt het gewoon.
Opmerkingen
Kan transitief worden gebruikt (etwas verändern = iets veranderen) of wederkerend (sich verändern = veranderen / een verandering ondergaan). In wederkerend gebruik betekent het vaak dat het onderwerp zelf veranderde of een verandering onderging.