verb
bespreken, overleggen
B1
besprechen is een transitief en niet-reflexief werkwoord met de betekenis „bespreken”, „overleggen” of „becommentariëren”. Het krijgt een lijdend voorwerp in de accusatief: etwas besprechen. Het is sterk: er bespricht, verleden tijd besprach, voltooid deelwoord besprochen.
Voorbeelden
Wir besprachen die Details.
We hebben de details besproken.
Ich habe das Thema mit ihm besprochen.
Ik heb het onderwerp met hem besproken.
Die Kollegen besprachen das Problem, damit sie am nächsten Tag eine Lösung präsentierten.
De collega's bespraken het probleem zodat ze de volgende dag een oplossing konden presenteren.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee mensen voor aan een tafel met papieren en tekstballonnen, die ideeën actief samen ‘persen’.
Klinkt als ‘best press’ — stel je voor dat je een onderwerp samen perst om het te bespreken.
Opmerkingen
Onscheidbaar werkwoord (voorvoegsel be-). Vaak gebruikt voor formele besprekingen (vergaderingen, beoordelingen). Scheid het voorvoegsel niet (ich bespreche, niet ich spreche... an).