verb
afspreken, een afspraak maken, overeenkomen
A2
Werkwoord met de betekenis ‘afspreken’, ‘een afspraak maken’ of ‘overeenkomen’. Reflexief: sich verabreden mit + datief = met iemand afspreken. Niet-reflexief: verabreden etwas = iets afspreken. Regelmatig zwak werkwoord, voltooid deelwoord verabredet, met haben.
Voorbeelden
Ich habe einen Termin mit dem Arzt verabredet.
Ik heb een afspraak met de dokter gemaakt.
Wir haben uns für morgen verabredet.
We hebben voor morgen afgesproken.
Ich verabrede mich mit dir.
Ik spreek met je af.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee mensen voor die naar een kalender wijzen en knikken terwijl ze «verabreden» zeggen — een beeld van een afspraak maken.
Denk aan «ver» + «a» + «reden» — «reden» betekent «praten», dus «praten om af te spreken».
Opmerkingen
«verabreden» wordt vaak wederkerig gebruikt (sich mit jemandem verabreden = met iemand afspreken). Niet-wederkerig kan het betekenen dat men iets afspreekt of vastlegt (etwas verabreden). Voor formele afspraken gebruiken Duitsers vaak «einen Termin vereinbaren» in plaats van «verabreden».