lügen

verb
liegen, leugenen
A2

lügen betekent ‘liegen’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: du lügst, er lügt; verleden tijd log; voltooid deelwoord gelogen. Niet wederkerend en in het perfect met haben. Veelgebruikt, maar meestal negatief geladen.

Voorbeelden

Ich lüge nicht.
Ik lieg niet.
Er hat gelogen.
Hij heeft gelogen.
Sie log über ihr Alter.
Ze loog over haar leeftijd.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
StamveranderingenPresent vowel change: u -> ü in du/er forms (du lügst, er lügt); Präteritum 'log'; Partizip II 'gelogen'

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es lügt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es log
Perfekter/sie/es hat gelogen

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je gekruiste vingers achter je rug voor wanneer iemand zegt «ich lüge» (ik lieg).
👂klinkt als het Engelse «loo» + «gen» — stel je iemand op het toilet voor die leugens vertelt (gek beeld).

Opmerkingen

Onregelmatig sterk werkwoord: klinkerwisseling in de tegenwoordige tijd (du lügst, er lügt) en Präteritum «log», Partizip II «gelogen». | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing. De vervoegingstabel laat persoonlijke (en wederkerige) voornaamwoorden weg — alleen de werkwoordsvormen/hulpwerkwoorden worden getoond.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichlüge
dulügst
er/sie/eslügt
wirlügen
ihrlügt
sie/Sielügen
ichlüge
dulügest
er/sie/eslüge
wirlügen
ihrlüget
sie/Sielügen
ichlöge
dulögest
er/sie/eslöge
wirlösen
ihrlöget
sie/Sielösen
dulüg
ihrlügt
Sielügen