verb
liegen, leugenen
A2
lügen betekent ‘liegen’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: du lügst, er lügt; verleden tijd log; voltooid deelwoord gelogen. Niet wederkerend en in het perfect met haben. Veelgebruikt, maar meestal negatief geladen.
Voorbeelden
Ich lüge nicht.
Ik lieg niet.
Er hat gelogen.
Hij heeft gelogen.
Sie log über ihr Alter.
Ze loog over haar leeftijd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je gekruiste vingers achter je rug voor wanneer iemand zegt «ich lüge» (ik lieg).
klinkt als het Engelse «loo» + «gen» — stel je iemand op het toilet voor die leugens vertelt (gek beeld).
Opmerkingen
Onregelmatig sterk werkwoord: klinkerwisseling in de tegenwoordige tijd (du lügst, er lügt) en Präteritum «log», Partizip II «gelogen». | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing. De vervoegingstabel laat persoonlijke (en wederkerige) voornaamwoorden weg — alleen de werkwoordsvormen/hulpwerkwoorden worden getoond.