vereinbaren

verb
afspreken, regelen, overeenkomen
A2

vereinbaren is een regelmatig zwak werkwoord met haben als hulpwerkwoord. Betekent afspreken, overeenkomen of plannen, vaak bij een afspraak: einen Termin vereinbaren. Voltooid deelwoord: vereinbart; verleden tijd: vereinbarte. Niet scheidbaar en niet wederkerig.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Nachdem der Mediator das Problem deutlich erklärte, vereinbarten die Parteien einen Kompromiss, der für beide Seiten akzeptabel war.
Nadat de bemiddelaar het probleem duidelijk had uitgelegd, kwamen de partijen een compromis overeen dat voor beide partijen aanvaardbaar was.
Ich vereinbare einen Termin.
Ik maak een afspraak.
Kannst du mit dem Kunden einen neuen Liefertermin vereinbaren?
Kun je met de klant een nieuwe leverdatum afspreken?

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.AUXILIARYhaben
VOCABULARY.DETAILS.SEPARABLEVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.REGULARVOCABULARY.DETAILS.YES
VOCABULARY.DETAILS.VERB_TYPEweak
VOCABULARY.DETAILS.STEM_CHANGESnone

VOCABULARY.DETAILS.PRINCIPAL_FORMS

Präsens (3. Sg.)er/sie/es vereinbart
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es vereinbarte
Perfekter/sie/es hat vereinbart

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je voor dat je een datum in een kalender schrijft terwijl twee mensen elkaar de hand schudden — ze hebben net een afspraak «vereinbart».
👂Klinkt een beetje als «fair-in-barren» — stel je twee mensen voor die een eerlijke afspraak maken in een leeg veld.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Het onscheidbare voorvoegsel «ver-» betekent dat het werkwoord in hoofdzinnen niet wordt gescheiden. Veelvoorkomende combinatie: «einen Termin vereinbaren» (een afspraak maken). Gebruikt «haben» als hulpwerkwoord in voltooide tijden.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS

ichvereinbare
duvereinbarst
er/sie/esvereinbart
wirvereinbaren
ihrvereinbart
sie/Sievereinbaren
ichwerde vereinbart
duwirst vereinbart
er/sie/eswird vereinbart
wirwerden vereinbart
ihrwerdet vereinbart
sie/Siewerden vereinbart
ichvereinbare
duvereinbarest
er/sie/esvereinbare
wirvereinbaren
ihrvereinbaret
sie/Sievereinbaren
ichwerde vereinbart
duwerdest vereinbart
er/sie/eswerde vereinbart
wirwerden vereinbart
ihrwerdet vereinbart
sie/Siewerden vereinbart
ichwürde vereinbaren
duwürdest vereinbaren
er/sie/eswürde vereinbaren
wirwürden vereinbaren
ihrwürdet vereinbaren
sie/Siewürden vereinbaren
ichwürde vereinbart werden
duwürdest vereinbart werden
er/sie/eswürde vereinbart werden
wirwürden vereinbart werden
ihrwürdet vereinbart werden
sie/Siewürden vereinbart werden
duvereinbare
ihrvereinbart
Sievereinbaren