überfahren

verb
overrijden, overheen rijden, aanrijden
B1

überfahren heeft twee hoofdbetekenissen: ‘iemand aanrijden/overrijden’ en ‘met een voertuig ergens overheen rijden, oversteken’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: in de tegenwoordige tijd a→ä (du überfährst, er überfährt), verleden tijd überfuhr. Met haben, niet wederkerig, niet scheidbaar.

Voorbeelden

Das Auto hat die Linie überfahren.
De auto reed over de lijn.
Er überfuhr ein Tier.
Hij reed een dier aan.
Wir überfuhren die Grenze ohne anzuhalten.
We reden de grens over zonder te stoppen.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
StamveranderingenPresent: a → ä in du/er/sie/es (du überfährst, er überfährt); Präteritum uses 'überfuhr' (a → u).

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es überfährt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es überfuhr
Perfekter/sie/es hat überfahren

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een auto (fahren) voor die over (über) iets heen gaat — dat beeld koppelt aan 'overrijden' of 'eroverheen rijden'.
👂Denk aan 'über' + 'fahren' → over/rijden; klinkt als 'over-drive', ergens overheen rijden.

Opmerkingen

Überfahren is een onregelmatig (sterk) werkwoord. Het is meestal onscheidbaar in de betekenis iemand/iets overrijden. De context bepaalt of het 'overrijden' (meestal per ongeluk/schadelijk) of 'overheen rijden' (neutraal) betekent. Gebruikt 'haben' als hulpwerkwoord in voltooide tijden.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichüberfahre
duüberfährst
er/sie/esüberfährt
wirüberfahren
ihrüberfahrt
sie/Sieüberfahren
ichwerde überfahren
duwirst überfahren
er/sie/eswird überfahren
wirwerden überfahren
ihrwerdet überfahren
sie/Siewerden überfahren
ichüberfahre
duüberfahrest
er/sie/esüberfahre
wirüberfahren
ihrüberfahret
sie/Sieüberfahren
ichwerde überfahren
duwerdest überfahren
er/sie/eswerde überfahren
wirwerden überfahren
ihrwerdet überfahren
sie/Siewerden überfahren
ichwürde überfahren
duwürdest überfahren
er/sie/eswürde überfahren
wirwürden überfahren
ihrwürdet überfahren
sie/Siewürden überfahren
ichwürde überfahren werden
duwürdest überfahren werden
er/sie/eswürde überfahren werden
wirwürden überfahren werden
ihrwürdet überfahren werden
sie/Siewürden überfahren werden
duüberfahre!
ihrüberfahrt!
Sieüberfahren!