verb
overrijden, overheen rijden, aanrijden
B1
überfahren heeft twee hoofdbetekenissen: ‘iemand aanrijden/overrijden’ en ‘met een voertuig ergens overheen rijden, oversteken’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: in de tegenwoordige tijd a→ä (du überfährst, er überfährt), verleden tijd überfuhr. Met haben, niet wederkerig, niet scheidbaar.
Voorbeelden
Das Auto hat die Linie überfahren.
De auto reed over de lijn.
Er überfuhr ein Tier.
Hij reed een dier aan.
Wir überfuhren die Grenze ohne anzuhalten.
We reden de grens over zonder te stoppen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een auto (fahren) voor die over (über) iets heen gaat — dat beeld koppelt aan 'overrijden' of 'eroverheen rijden'.
Denk aan 'über' + 'fahren' → over/rijden; klinkt als 'over-drive', ergens overheen rijden.
Opmerkingen
Überfahren is een onregelmatig (sterk) werkwoord. Het is meestal onscheidbaar in de betekenis iemand/iets overrijden. De context bepaalt of het 'overrijden' (meestal per ongeluk/schadelijk) of 'overheen rijden' (neutraal) betekent. Gebruikt 'haben' als hulpwerkwoord in voltooide tijden.