noun
activiteit, taak, bezigheid
B1
‘Tätigkeit’ betekent activiteit, bezigheid, taak of werk, vaak in een professionele context. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord: ‘die Tätigkeit’; meervoud: ‘Tätigkeiten’. Veelgebruikte combinaties zijn ‘eine Tätigkeit ausüben’ en ‘bei einer Tätigkeit’. Regelmatige verbuiging.
Voorbeelden
Welche Tätigkeit üben Sie beruflich aus?
Wat is uw beroep?
Die Firma weigerte sich, für die Tätigkeit zu zahlen, obwohl der Mitarbeiter sie korrekt ausführte.
Het bedrijf weigerde te betalen voor de activiteit, hoewel de werknemer die correct uitvoerde.
Die Tätigkeit im Büro ist abwechslungsreich.
De werkzaamheden op kantoor zijn afwisselend.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die verschillende taken uitvoert met het label «Tätigkeit» op een checklist.
Klinkt als «take-it» (tae-ti-keet) — denk aan «take it» als iets wat je doet.
Eindigt op -keit — de meeste Duitse woorden op -keit zijn vrouwelijk (die).
Opmerkingen
Een wat formeler zelfstandig naamwoord voor een handeling, werktaak of activiteit; gebruikelijk in professionele contexten. Eindigt op -keit, wat betrouwbaar vrouwelijk geslacht aangeeft.