verb
doen
A1
machen betekent ‘doen’ of ‘maken’. Het is een heel frequent regelmatig zwak werkwoord: machte, gemacht; perfect met haben: hat gemacht. Niet wederkerig, maar wel vaak in vaste uitdrukkingen en als hulpwerkwoordachtig werkwoord. Imperatief: mach! Passief is mogelijk.
Voorbeelden
Ich mache meine Hausaufgaben.
Ik maak mijn huiswerk.
Die Handwerker machten das Gerüst ab, nachdem die Reparaturarbeiten beendet waren.
De vaklieden haalden de steiger weg nadat de reparatiewerkzaamheden waren beëindigd.
Ich mache meine Hausaufgaben.
Ik maak mijn huiswerk.
Details
Ezelsbruggetjes
Handen die actief een taak uitvoeren (doen / maken).
klinkt als Engels 'machen' ~ 'mock-in' — stel je een nep-/oefentaak voor
Opmerkingen
Zeer algemeen en veelgebruikt werkwoord, gebruikt in veel constructies (machen + zelfstandig naamwoord, wederkerige vormen).