machen

verb
doen
A1

machen betekent ‘doen’ of ‘maken’. Het is een heel frequent regelmatig zwak werkwoord: machte, gemacht; perfect met haben: hat gemacht. Niet wederkerig, maar wel vaak in vaste uitdrukkingen en als hulpwerkwoordachtig werkwoord. Imperatief: mach! Passief is mogelijk.

Voorbeelden

Ich mache meine Hausaufgaben.
Ik maak mijn huiswerk.
Die Handwerker machten das Gerüst ab, nachdem die Reparaturarbeiten beendet waren.
De vaklieden haalden de steiger weg nadat de reparatiewerkzaamheden waren beëindigd.
Ich mache meine Hausaufgaben.
Ik maak mijn huiswerk.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es macht
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es machte
Perfekter/sie/es hat gemacht

Ezelsbruggetjes

👁️Handen die actief een taak uitvoeren (doen / maken).
👂klinkt als Engels 'machen' ~ 'mock-in' — stel je een nep-/oefentaak voor

Opmerkingen

Zeer algemeen en veelgebruikt werkwoord, gebruikt in veel constructies (machen + zelfstandig naamwoord, wederkerige vormen).

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichmache
dumachst
er/sie/esmacht
wirmachen
ihrmacht
sie/Siemachen
ichwerde gemacht
duwirst gemacht
er/sie/eswird gemacht
wirwerden gemacht
ihrwerdet gemacht
sie/Siewerden gemacht
ichmache
dumachest
er/sie/esmache
wirmachen
ihrmachet
sie/Siemachen
ichwerde gemacht
duwerdest gemacht
er/sie/eswerde gemacht
wirwerden gemacht
ihrwerdet gemacht
sie/Siewerden gemacht
ichwürde machen
duwürdest machen
er/sie/eswürde machen
wirwürden machen
ihrwürdet machen
sie/Siewürden machen
ichwürde gemacht werden
duwürdest gemacht werden
er/sie/eswürde gemacht werden
wirwürden gemacht werden
ihrwürdet gemacht werden
sie/Siewürden gemacht werden
dumach
ihrmacht
Siemachen